ECLI:NL:CRVB:2022:1425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige beoordeling van arbeidsongeschiktheid
Appellant was sinds 2010 werkzaam als machine-operator en meldde zich in 2016 ziek door klachten aan zijn linkerarm en psychische klachten. In 2018 werd vastgesteld dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en werd een WIA-uitkering geweigerd. Na een nieuwe ziekmelding in 2019 en een medisch onderzoek in 2020, werd appellant geschikt geacht voor de functie van administratief medewerker, waarna het recht op ziekengeld werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de conclusies van de verzekeringsartsen juist. In hoger beroep stelde appellant dat zijn fysieke en psychische beperkingen waren verslechterd, onderbouwd met een brief van zijn psycholoog en een conceptrapport van een psychiater.
De Raad oordeelde dat deze medische informatie onvoldoende gewicht had om de eerdere beoordeling te wijzigen. De beperkingen per datum in geding waren adequaat vastgesteld, en de functie van administratief medewerker paste binnen zijn belastbaarheid. De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van de uitkering en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant terecht geschikt is verklaard voor de functie van administratief medewerker en dat het recht op ziekengeld terecht is beëindigd.