ECLI:NL:CRVB:2022:1440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden in AOW-zaak
In deze zaak heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een AOW-kwestie. Het beroepschrift bevatte echter geen gronden, wat een vereiste is volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De gemachtigde van appellante werd bij brief van 15 december 2021 in de gelegenheid gesteld dit gebrek binnen vier weken te herstellen, maar liet deze termijn voorbijgaan. Vervolgens werd bij aangetekende brief van 17 januari 2022 nogmaals een termijn van vier weken gesteld met de waarschuwing dat overschrijding zou leiden tot niet-ontvankelijkheid. Ook deze termijn werd niet benut.
Gezien het ontbreken van verontschuldigingen voor dit verzuim, verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk zonder inhoudelijke behandeling. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum op 16 juni 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.