Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:1452

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2022
Publicatiedatum
5 juli 2022
Zaaknummer
21/3869 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugwerkende kracht compensatietoeslag op grond van Wubo

Appellante, een nabestaande van een burgeroorlogsslachtoffer, maakte aanspraak op een compensatietoeslag voor de bijdrage zorgverzekeringswet op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder paste de uitkering aan met ingang van juli 2021 en kende een compensatie toe over de periode van juni 2016 tot en met juni 2021, maar wees een verzoek om terugwerkende kracht over een langere periode af.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat op grond van vaste rechtspraak aanspraken op financiële vergoedingen jegens de overheid na vijf jaar niet meer afdwingbaar zijn vanwege het rechtszekerheidsbeginsel. De Wubo bevat geen uitzonderingen op deze regel. Appellante voerde aan dat zij niet op de hoogte was van de toeslag, maar dit werd niet als bijzondere omstandigheid erkend.

Daarom is het bestreden besluit dat de compensatietoeslag slechts vijf jaar terugwerkende kracht kent, rechtsgeldig. Het beroep van appellante is ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de compensatietoeslag wordt slechts vijf jaar terugwerkende kracht toegekend.

Uitspraak

21.3869 WUBO

Datum uitspraak: 24 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (Spanje) (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 augustus 2021, kenmerk BZ011455868 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2022. Appellante heeft telefonisch aan het onderzoek deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Leurink-Ofman.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante is in het genot van een periodieke uitkering als nabestaande van een burgeroorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo.
1.2.
Na telefonisch contact met appellante heeft verweerder (ambtshalve) bij besluit van 22 juni 2021 de periodieke uitkering van appellante met ingang van juli 2021 aangepast omdat appellante recht heeft op de compensatietoeslag voor de bijdrage zorgverzekeringswet die zij aan het Centraal Administratie Kantoor moet betalen. Verder is aan appellante een bedrag toegekend van € 7.879,71 als compensatie over de periode juni 2016 tot en met juni 2021. Het bezwaar tegen het niet toekennen van de compensatietoeslag over eerdere jaren is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van wat partijen in beroep hebben aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling.
2.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niet mogelijk is om een langere terugwerkende kracht te verlenen aan het toekennen van de compensatietoeslag dan de toegepaste vijf jaren – kort gezegd – omdat op grond van verjaring geen langere periode afdwingbaar is.
2.2.
De Raad onderschrijft het door verweerder ingenomen standpunt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4793) zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaar niet meer in rechte afdwingbaar. De Wubo bevat geen bepalingen op grond waarvan deze rechtsregel buiten toepassing moet blijven.
2.3.
Bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om aan de terugwerkende kracht de door appellante gewenste duur van tien jaar te verbinden zijn niet naar voren gekomen. Desgevraagd heeft verweerder aangegeven dat uit de administratie niet is gebleken dat appellante al dan niet telefonisch in de aan de toekenning voorafgaande jaren heeft verzocht om in aanmerking te komen voor de compensatietoeslag. Dat zij eerder niet op de hoogte was van de mogelijkheid van het aanvragen van de compensatietoeslag, zoals appellante heeft aangevoerd, is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. Dit betekent dat verweerder geen langere termijn van terugwerkende kracht heeft moeten toepassen.
2.4.
Uit 2.2 en 2.3 volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2022.
(getekend) H. Lagas
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt