Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:1477

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2022
Publicatiedatum
8 juli 2022
Zaaknummer
21/4263 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, laatstelijk werkzaam als vrachtwagenchauffeur, meldde zich ziek met lichamelijke en spanningsklachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. In bezwaar en beroep werden extra beperkingen onderzocht, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef ongewijzigd.

De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsartsen voldoende rekening hadden gehouden met medische informatie, waaronder diabetesklachten, en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar beperkingen in hand- en vingergebruik en gezichtsvermogen, en dat een deskundige benoemd had moeten worden.

De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat de medische rapporten overtuigend en adequaat waren gemotiveerd. Er waren geen aanwijzingen dat de beperkingen waren onderschat of dat aanvullend onderzoek nodig was. Ook de geschiktheid van de functies werd bevestigd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

21.4263 WIA

Datum uitspraak: 29 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 november 2021, 21/1463 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2022. Namens appellant is mr. Jansen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als vrachtwagenchauffeur voor 41,81 uur per week. Op 16 november 2018 heeft appellant zich ziek gemeld met lichamelijke klachten en spanningsklachten. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 december 2020. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 11 december 2020 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 15 oktober 2020 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2.
In bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 25 maart 2021 de FML aangepast en extra beperkingen aangenomen voor persoonlijk en sociaal functioneren. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft één van de eerder geselecteerde functies verworpen en een nieuwe functie geselecteerd binnen dezelfde SBC-code. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is ongewijzigd minder dan 35%. Bij besluit van
6 april 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en deugdelijk gemotiveerd is en geen tegenstrijdigheden bevat. Dat de verzekeringsartsen niet expliciet hebben verwezen naar het protocol Darmkanker en Diabetes Mellitus doet er niet aan af dat dat zij bij het vaststellen van de beperkingen rekening hebben gehouden met de diabetesklachten, zoals appellant deze heeft geuit. In beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep met een rapport van 20 september 2021 gereageerd op de brieven van Synaeda en orthopeed N. Groot. De rechtbank heeft het medisch standpunt en de onderbouwing daarvan navolgbaar geacht. Daarbij is overwogen dat de verzekeringsarts in haar rapport van 9 december 2020 heeft gemotiveerd dat er in vergelijking met de eerstejaars Ziektewetbeoordeling in 2019, enige verbeteringen aannemelijk zijn. Er is volgens de verzekeringsarts geen beperking meer voor afleiding en er is geen duurbeperking meer nodig. Pas als er afwijkingen zijn gevonden aan de handen, is er reden voor een beperking voor hand- en vingergebruik, maar dat is niet het geval. Ook voor het gezichtsvermogen zijn er bij appellant geen afwijkingen gevonden. Hoewel de bloedwaarden rond 15 oktober 2020 te hoog zijn, zijn die niet zo alarmerend dat er meer beperkingen zouden moeten worden aangenomen. De rechtbank heeft ook overwogen dat appellant geen medische stukken heeft ingebracht waaruit blijkt dat de verzekeringsartsen zijn beperkingen hebben onderschat. Naar het oordeel van de rechtbank is de geschiktheid van de in bezwaar geselecteerde functies voldoende toegelicht. De rechtbank is niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt, zodat de functies geschikt worden geacht voor appellant.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv de beperkingen als gevolg van de diabetes niet heeft onderschat en dat het onderzoek in verband met deze klachten voldoende is geweest. Daarnaast zijn er in de FML geen beperkingen vastgesteld ten aanzien van het hand- en vingergebruik en ten aanzien van het gezichtsvermogen, terwijl uit de rapporten van de (bezwaar-)verzekeringsarts blijkt dat appellant wel heeft aangegeven dat hij op die aspecten problemen ondervindt. Door dit niet nader te onderzoeken en als gevolg daarvan geen beperkingen op te nemen in de FML, heeft het Uwv het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid. Met de in beroep ingediende bloedwaarden heeft appellant willen aantonen dan zijn diabetes nog steeds niet goed ingeregeld is en dat zijn klachten als gevolg van de diabetes dus reëel zijn. De door appellant benoemde klachten van verminderd gevoel, maar ook kwetsbare huid/extra risico bij verwondingen en het verminderde gezichtsvermogen, zijn klachten behorend bij diabetes. Ook zonder nadere medische verklaringen van behandelaars zijn deze klachten passend en aannemelijk bij diabetes. Nu dit tijdens het onderzoek wel is genoemd en het Uwv vervolgens geen beperkingen heeft opgenomen, had de rechtbank een deskundige dienen te benoemen alvorens te kunnen concluderen dat de vastgestelde beperkingen in de FML een juiste weergave zijn van de ondervonden beperkingen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 15 oktober 2020 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan appellant een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is goeddeels een herhaling van de gronden die hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht geoordeeld dat geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de door de verzekeringsartsen van het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
Uit de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt overtuigend dat voldoende rekening is gehouden met de aanwezige medische informatie. In het rapport van 18 oktober 2021 is adequaat toegelicht waarom de laboratoriumuitslagen geen aanleiding geven om het ingenomen standpunt te wijzigen. Uit deze informatie volgt dat, hoewel de bloedsuikers rond de datum in geding te hoog zijn, deze niet zodanig alarmerend zijn dat meer beperkingen aan de orde zijn op de datum in geding. Voorts zijn bij onderzoek geen afwijkingen gevonden aan de handen of het gezichtsvermogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant slechts beperkt geschikt is geacht om te werken, namelijk voor fysiek licht werk in regelmatige diensten. Er is geen aanknopingspunt voor twijfel aan dit inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellant heeft geen gegevens ingediend waaruit blijkt dat hiermee zijn (objectiveerbare) beperkingen zijn onderschat. De in het dossier aanwezige stukken bieden geen steun voor het standpunt van appellant dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend onderzoek had moeten doen naar zijn klachten. Het standpunt dat de rechtbank ten onrechte van de juistheid van de FML van 25 maart 2021 is uitgegaan, wordt dan ook niet gevolgd. Daarom heeft de rechtbank terecht geen deskundige benoemd en ook in hoger beroep wordt daarvoor geen aanleiding gezien.
4.5.
Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn. De door appellant gestelde arbeidskundige gronden houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen.
4.6.
De overwegingen 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2022.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) L. Winters