ECLI:NL:CRVB:2022:1477
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als vrachtwagenchauffeur, meldde zich ziek met lichamelijke en spanningsklachten. Het UWV stelde op basis van verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. In bezwaar en beroep werden extra beperkingen onderzocht, maar de mate van arbeidsongeschiktheid bleef ongewijzigd.
De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsartsen voldoende rekening hadden gehouden met medische informatie, waaronder diabetesklachten, en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar beperkingen in hand- en vingergebruik en gezichtsvermogen, en dat een deskundige benoemd had moeten worden.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat de medische rapporten overtuigend en adequaat waren gemotiveerd. Er waren geen aanwijzingen dat de beperkingen waren onderschat of dat aanvullend onderzoek nodig was. Ook de geschiktheid van de functies werd bevestigd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.