ECLI:NL:CRVB:2022:1480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging Ziektewetuitkering na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant, laatstelijk werkzaam als centralist/planner, meldde zich ziek met schouderklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling beëindigde het UWV de uitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen met andere functies. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd in hoger beroep de beslissing van de rechtbank vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek had verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had gemotiveerd dat er geen reden was voor een urenbeperking en dat de beperkingen van appellant adequaat waren verwerkt in de functionele mogelijkhedenlijst (FML). De Raad nam het standpunt van appellant, die een suïcidepoging rond de datum in geding aanvoerde, niet over omdat deze niet uit de medische stukken bleek.
De Raad bevestigde dat appellant per 18 december 2019 in staat was ten minste een van de bij de EZWb geselecteerde functies te verrichten. De functie besteller post/pakketten behoefde geen nadere bespreking omdat het slechts een van de functies betrof. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 18 december 2019 in staat was een van de geselecteerde functies te verrichten en dat het beëindigen van de Ziektewetuitkering terecht was.