ECLI:NL:CRVB:2022:1484

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2022
Publicatiedatum
8 juli 2022
Zaaknummer
21/2156 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 4:98 AwbBesluit bij vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstandRegeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 20 november 2019, nr. 2742859
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging proceskostenvergoeding in WW-uitkeringszaak zonder vergoeding eigen bijdrage advocaat

Appellante ontvangt sinds april 2019 een WW-uitkering en maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV over de verrekening van een eindafrekening van haar werkgever met haar uitkering. Het bezwaar werd aanvankelijk ongegrond verklaard, maar het UWV kwam in een later besluit geheel tegemoet aan haar bezwaren en vergoedde een deel van de kosten van haar gemachtigde.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit gegrond, stelde de proceskostenvergoeding vast op €534,- en bepaalde dat appellante nog recht had op een nabetaling van €22,-. De rechtbank wees het verzoek om vergoeding van renteschade af en oordeelde dat de eigen bijdrage die appellante aan haar advocaat betaalde niet voor vergoeding in aanmerking kwam vanwege het forfaitaire systeem.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij onrechtmatig werd behandeld door het UWV en dat zij nog niet alle advocaatkosten vergoed had gekregen. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het forfaitaire karakter van de proceskostenvergoeding uitgangspunt is en dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die een afwijking rechtvaardigen. De door de rechtbank vastgestelde vergoeding wordt onderschreven en het hoger beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de proceskostenvergoeding correct is vastgesteld en wijst vergoeding van de eigen bijdrage aan de advocaat af.

Uitspraak

21 2156 WW

Datum uitspraak: 30 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 26 april 2021, 19/5008 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante ontvangt sinds 1 april 2019 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft appellante op 5 juni 2019 een betaalspecificatie gezonden. Hieruit is af te leiden dat appellante in de periode van 1 mei 2019 tot en met 31 mei 2019 recht had op een WW-uitkering van bruto € 908,77. Daarbij heeft het Uwv een eindafrekening van de werkgever van appellante verrekend met de WW-uitkering over de maand mei.
1.2.
Namens appellante heeft mr. F. Reith tegen het besluit van 5 juni 2019 bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 26 september 2019 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.3.
In een factuur van 18 juli 2019 heeft mr. Reith een bedrag van € 625,00 inclusief BTW aan eigen bijdrage voor de door haar verichte werkzaamheden in rekening gebracht.
1.4.
Het Uwv heeft in beroep zijn standpunt gewijzigd en is in een beslissing op bezwaar van 10 februari 2020 (bestreden besluit 2) volledig tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellante. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 juni 2019 alsnog gegrond geacht en € 512,- voor de kosten van de gemachtigde van appellante vergoed.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard en het bestreden besluit 2 vernietigd voor zover daarmee de proceskosten zijn vastgesteld op € 512,- en het te vergoeden bedrag bepaald op € 534,-. De rechtbank heeft bepaald dat appellante recht heeft op een nabetaling aan proceskosten van € 22,- en dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 47,- aan appellante moet vergoeden. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv inhoudelijk aan het beroep van appellante tegemoet is gekomen. De rechtbank heeft onder verwijzing naar artikel 4:98, tweede lid van de Awb het verzoek om het Uwv te veroordelen in de vergoeding van renteschade afgewezen. Wat betreft het verzoek om proceskosten heeft de rechtbank vastgesteld dat niet in geschil is dat de proceshandeling bestaat uit het opstellen van een bezwaarschrift door de gemachtigde van appellante. Dat is
1 punt. Ten tijde van het instellen van bezwaar bedroeg de waarde per punt € 512,-. Per 1 januari 2020 is op grond van de Regeling van de Minister voor Rechtsbescherming van 20 november 2019, nr. 2742859, tot indexering van bedragen in de Awb de waarde per punt vastgesteld op € 525,-. Omdat deze indexering onmiddellijke werking had, had het Uwv de waarde per punt op 20 februari 2020 moeten vaststellen op € 525,-. Nu het Uwv dat bedrag ten onrechte heeft vastgesteld op € 512,- heeft de rechtbank aanleiding gezien hierin zelf te voorzien. Omdat de rechtbank de proceskostenvergoeding zelf opnieuw moet vaststellen, moet deze toetsing worden uitgevoerd aan de hand van de tarieven die geleden op het moment waarop de rechtbank de beslissing neemt. De rechtbank heeft daarvoor het voor 2021 geldende tarief van € 534,- toegepast. Nu er geen sprake is van andere proceshandelingen en het gewicht van de zaak als gemiddeld wordt aangemerkt bedraagt het te vergoeden bedrag aan proceskosten € 534,-. Omdat het Uwv € 512,- heeft vergoed heeft appellante naar het oordeel van de rechtbank nog recht op € 22,-. De omstandigheid dat appellante een eigen bijdrage heeft moeten betalen in de kosten van rechtsbijstand geeft geen aanleiding voor vergoeding van een hoger bedrag aan proceskosten. Het systeem aan vergoeding van proceskosten is een forfaitair systeem. De werkelijk gemaakte kosten zijn niet van belang. Er is dan ook geen grond om een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij het niet eens is met de aangevallen uitspraak omdat zij nog niet alle kosten van haar advocaat vergoed heeft gekregen. Deze kosten had zij niet hoeven te maken als het Uwv niet had verrekend. Nergens uit de door het Uwv toegestuurde wetsteksten blijkt dat het Uwv die bedragen mocht inhouden. Het Uwv heeft onrechtmatig gehandeld. Nadat het Uwv het bezwaar gegrond had verklaard heeft haar toenmalige gemachtigde de door haar gemaakte kosten ook volledig bij het Uwv verhaald. Appellante heeft in het opstellen van de beroepschriften veel tijd gestoken en moet ook nog € 91,- zelf betalen. Omdat zij nu van een WW-uitkering moet rondkomen en niet in aanmerking komt voor een rentevergoeding wil appellante het restant bedrag van € 91,- aan advocaatkosten ontvangen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Voor de relevante wet- en regelgeving en de uitleg daarvan wordt verwezen naar de onderdelen 4.3.2 en 4.3.3 van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Omdat het Uwv appellante na het instellen van beroep tegemoet is gekomen, bestaat er aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante daarvoor redelijkerwijs heeft moeten maken. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de door appellante betaalde eigen bijdrage aan haar gemachtigde voor vergoeding in aanmerking komt.
4.3.
Uitgangspunt van het Besluit bij vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Besluit is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. De toelichting bij het Besluit vermeldt dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Besluit berekende vergoeding – zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten – kan verhogen of verlagen. Benadrukt wordt dat het werkelijk gaat om uitzonderingen. Als voorbeeld wordt genoemd een geval waarin de burger door gebrekkige informatievoorziening door de overheid op uitzonderlijk hoge kosten voor het verzamelen van het benodigde feitenmateriaal is gejaagd.
4.4.
De door mr. Reith verleende rechtsbijstand in bezwaar is aan te merken als beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit. De kosten die appellante in dat verband redelijkerwijs heeft moeten maken, komen in aanmerking voor de forfaitaire vergoeding volgens de bijlage van het Besluit.
4.5.
In de bijlage bij het Besluit wordt een limitatieve opsomming gegeven van de proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden toegewezen. In vergoeding van de te betalen eigen bijdrage aan haar rechtshulpverlener, zoals door appellante is verzocht, is daarbij niet voorzien. Deze kosten komen daarom niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking.
4.6.
Mede gelet op de toelichting bij het Besluit worden er geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit aanwezig geacht. Dat appellante genoodzaakt was tot het inschakelen van een advocaat en kosten heeft moeten maken doordat Uwv een voor appellante negatief besluit heeft genomen betreft geen uitzonderlijke situatie. Evenmin is het een bijzondere omstandigheid dat het Uwv het bezwaar tegen het primaire besluit van 5 juni 2019 alsnog gegrond heeft verklaard en volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante. De door de rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding wordt dan ook onderschreven.
4.7.
De overwegingen in 4.2 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevallen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van K.M. Geerman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2022.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) K.M. Geerman