ECLI:NL:CRVB:2022:1502
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bruikleenauto voor gezin met medische beperkingen bevestigd
Appellant en zijn twee broers en zussen lijden aan neurologische aandoeningen en cognitieve stoornissen. Namens appellant werd in 2018 een aanvraag ingediend voor een bruikleenauto op grond van de Wmo 2015, maar het college wees deze af op advies van het Indicatieadviesbureau (IAB). Het bezwaar werd ongegrond verklaard omdat individueel aanvullend openbaar vervoer (AOV) met begeleiding als voldoende werd beschouwd.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen, stellende dat het vervoer met individueel AOV adequaat is en dat de medische situatie geen noodzaak voor een bruikleenauto rechtvaardigt. In hoger beroep voerde appellant aan dat het risico op epileptische aanvallen en de logistieke uitdagingen een bruikleenauto vereisen, en deed een beroep op de hardheidsclausule.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt dat de medische en logistieke omstandigheden onvoldoende aanleiding geven om het college te veroordelen tot verstrekking van een bruikleenauto. Individueel AOV met begeleiding is adequaat en de hardheidsclausule is niet van toepassing. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor een bruikleenauto wordt terecht afgewezen; individueel aanvullend openbaar vervoer met begeleiding is adequaat.