ECLI:NL:CRVB:2022:1515
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds mei 2016 werkzaam als helpdeskmedewerker en meldde zich in juli 2016 ziek met lichamelijke en psychische klachten. Na medisch en arbeidsdeskundig onderzoek stelde het UWV vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen correct waren vastgesteld. De rechtbank hechtte geen doorslaggevende waarde aan de eigen beleving van appellante en vond dat de arbeidsdeskundige de belastbaarheid adequaat had gemotiveerd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren over onvoldoende rekening houden met haar psychische klachten, vermoeidheid en fijne motoriekbeperkingen. Zij overhandigde aanvullende medische stukken, waaronder brieven van een psycholoog en huisarts. De Raad volgde het UWV en de rechtbank in hun oordeel dat deze aanvullende informatie niet leidde tot een ander standpunt.
De Raad wees erop dat de diagnoses van angststoornis, paniekstoornis en PTSS pas ruim na de datum in geding waren gesteld en dat de beperkingen in fijne motoriek volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst geen belemmering vormden voor toetsenbord- en muisgebruik. Een onafhankelijke deskundige werd niet noodzakelijk geacht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep van appellante werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.