ECLI:NL:CRVB:2022:1527
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als medewerker bediening, meldde zich ziek met diverse klachten waaronder buik- en psychische klachten. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de arbeidsdeskundige de passende functies adequaat had gemotiveerd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij de geselecteerde functies niet kon vervullen vanwege frequent toiletbezoek en psychische klachten, en dat het onderzoek onvoldoende was. De Raad oordeelde dat de frequentie van toiletbezoek op de datum in geding niet hoger was dan vastgesteld en dat er geen bewijs was voor noodzaak tot verschoning na ongelukjes. De arbeidsdeskundige had bovendien toegelicht dat binnen de geselecteerde functies een toilet binnen 75 tot 100 meter bereikbaar was.
De Raad constateerde dat de aanvankelijke motivering van het UWV niet volledig was, maar dat dit geen nadeel voor appellante opleverde. Daarom werd de schending van de motiveringsplicht gepasseerd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.