ECLI:NL:CRVB:2022:1534
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van juiste vaststelling WGA-vervolguitkering bij 51,18% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig buschauffeur, kreeg een WGA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid die in de loop der tijd werd herzien. Na een toename van zijn klachten meldde hij zich in 2020 bij het UWV, dat op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 mei 2020 de mate van arbeidsongeschiktheid vaststelde op 51,18%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat zijn klachten ernstiger waren dan in aanmerking genomen.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat met de fysieke en psychische beperkingen voldoende rekening was gehouden. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en de medische beoordeling van de verzekeringsarts Van Wijngaarden. De Raad stelde vast dat de FML van 3 mei 2020 adequaat rekening hield met de beperkingen van appellant, inclusief medicatiegebruik en psychische klachten. De geselecteerde functies waren passend en de mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor toekenning van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door J.P.M. Zeijen op 30 juni 2022.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid correct heeft vastgesteld op 51,18%.