ECLI:NL:CRVB:2022:1542
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing UWV over mate van arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering
Appellant, werkzaam als production operator, meldde zich in 2011 ziek vanwege rug- en psychische klachten. Het UWV kende hem een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 35-45%, later verhoogd naar 45-55% per 27 juni 2017. Na een melding van verslechtering per 15 mei 2018, onderzocht een verzekeringsarts de situatie, maar vond geen aanleiding de beperkingen te herzien.
Het UWV handhaafde de uitkering op 45-55% en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel na beoordeling van het medische feitencomplex en de rapporten van verzekeringsartsen en behandelaars.
In hoger beroep voerde appellant aan dat nieuwe gezondheidsklachten, waaronder uitstralende pijn in het linkerbeen, meer beperkingen rechtvaardigen. De Raad concludeerde dat de medische informatie van de revalidatiearts uit 2020 te laat dateert en geen nieuwe feiten bevat die het oordeel over de situatie per 15 mei 2018 wijzigen.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de Functionele Mogelijkhedenlijst van januari 2018 juist is toegepast. Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 15 mei 2018 ongewijzigd blijft op 45-55%.