ECLI:NL:CRVB:2022:1543
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellant had een eerder toegekende WIA-uitkering die het UWV per 9 april 2019 beëindigde omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant werkte van 10 tot 26 april 2019 via een uitzendbureau in een magazijn, maar meldde zich ziek per 29 april 2019 wegens lichamelijke klachten.
Het UWV weigerde op 22 mei 2019 een Ziektewet-uitkering toe te kennen vanaf die datum. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat er geen medische grondslag was voor beperkingen, met name voor de gemelde zuurbranden en beenklachten. De verzekeringsarts stelde vast dat de klachten vaag waren, niet objectief aantoonbaar en dat appellant het werk in april 2019 langer dan enkele dagen fulltime kon uitvoeren.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet alle uren had gewerkt en enkele dagen had verzuimd, maar kon dit niet onderbouwen met stukken. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant geschikt was voor zijn arbeid en bevestigde het besluit van het UWV. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de Ziektewet-uitkering heeft geweigerd vanaf 29 april 2019.