ECLI:NL:CRVB:2022:1544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant was sinds 2007 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55%. Na een herbeoordeling in 2016 bleef dit percentage gehandhaafd. In 2018 vond een nieuwe herbeoordeling plaats, waarbij een verzekeringsarts vaststelde dat er geen indicatie meer was voor een beperking in arbeidsduur. Het UWV beëindigde daarop de WIA-uitkering per 9 april 2019.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en deugdelijk was uitgevoerd. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar leverde geen nieuwe medische gegevens aan die de eerdere beoordeling konden weerleggen.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en stelde vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk had gemotiveerd waarom de eerdere prognose uit 2016 niet langer juist was. Er was sprake van een nieuwe beoordeling met een andere uitkomst, wat na bijna drie jaar niet ongebruikelijk is. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 35%.