Uitspraak
21.2768 PW-PV
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft op 20 september 2018 een kredietovereenkomst gesloten met de Kredietbank voor een saneringskrediet met maandelijkse aflossingen van € 50,76. Na bezwaar tegen de inhouding van dit bedrag op zijn bijstandsuitkering, dat eerst gegrond werd verklaard maar later kennelijk niet-ontvankelijk, heeft appellant verzocht om verlaging van het aflossingsbedrag naar € 22,51. De Kredietbank wees dit verzoek bij brief van 31 maart 2020 af omdat het huidige bedrag al de laagst mogelijke maandtermijn betrof.
Appellant maakte bezwaar tegen deze afwijzing, maar het college verklaarde dit bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat de brief van de Kredietbank geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vormt. De rechtbank bevestigde dit oordeel en benadrukte dat de relatie tussen appellant en de Kredietbank civielrechtelijk is en niet via bestuursrechtelijke besluiten verloopt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel dat de brief van de Kredietbank geen besluit is en dat het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Appellant zal zijn geschil met de Kredietbank civiel moeten oplossen. Ook het tijdsverloop bij de behandeling van het bezwaar beïnvloedt de ontvankelijkheid niet. Het hoger beroep wordt afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek tot verlaging van het aflossingsbedrag is terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de brief van de Kredietbank geen besluit is.