ECLI:NL:CRVB:2022:1577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkeringsbesluit ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig schilder, meldde zich ziek met lage rugklachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering wegens 36,66% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar en heronderzoek werd de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 60,59%, leidend tot een WGA-vervolguitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de medische en arbeidskundige grondslagen juist.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische en lichamelijke klachten, waaronder een stemmingsstoornis, reactieve depressie, agressieregulatieproblematiek en reumatische aandoeningen, en dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zou zijn met recht op een IVA-uitkering. De Raad stelde vast dat de verzekeringsartsen het dossier zorgvuldig hadden bestudeerd, inclusief medisch advies en informatie uit de behandelend sector, en dat de beperkingen en klachten adequaat waren beoordeeld.
De Raad concludeerde dat er geen nieuwe medische informatie was ingebracht die aanleiding gaf tot een ander oordeel en dat de geselecteerde functies passend waren. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het UWV-besluit, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV-besluit tot toekenning van een WGA-vervolguitkering met 60,59% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.