ECLI:NL:CRVB:2022:1579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende motivering bij beëindiging Ziektewet-uitkering wegens urenbeperking
Appellante was werkzaam als verkoopmedewerkster en meldde zich in januari 2016 ziek. Na diverse beoordelingen en uitkeringsbesluiten stelde het UWV dat zij geschikt was voor de functie van assistent consultatiebureau zonder urenbeperking, waarna haar Ziektewet-uitkering werd beëindigd. Appellante betwistte dit en verwees naar een expertiserapport van verzekeringsarts Erdogan, die een maximale belastbaarheid van 6 uur per dag en 30 uur per week concludeerde vanwege slaapproblematiek gerelateerd aan pijnklachten.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het UWV volgde deze conclusie niet en stelde dat er geen sprake was van een pathologie met veel pijn, mede omdat appellante geen sterke medicatie gebruikte. De Raad beoordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom het rapport van Erdogan niet gevolgd werd, vooral omdat de schouderklachten en slaapproblematiek op de datum van beoordeling nog aanwezig waren.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek vertoonde en droeg het UWV op binnen zes weken het besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen van de Raad. Deze tussenuitspraak betreft het hoger beroep tegen het besluit van 7 januari 2021 dat het bezwaar van appellante ongegrond verklaarde.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering te herstellen wegens onvoldoende motivering omtrent de urenbeperking.