ECLI:NL:CRVB:2022:1585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid volgens Wet WIA
Appellant, werkzaam als schilder, meldde zich ziek met lage rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch onderzoek en een functionele mogelijkhedenlijst (FML) vast dat appellant voor 36,66% arbeidsongeschikt was en kende een loongerelateerde uitkering toe. Appellant stelde in bezwaar en beroep dat zijn psychische en lichamelijke beperkingen werden onderschat, met name op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren en fysieke beperkingen zoals klimmen en werken in vochtige omgevingen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en vond het medisch onderzoek zorgvuldig, waarbij ook de brief van de reumatoloog was betrokken. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en concludeert dat de beperkingen juist zijn vastgesteld. De psychische klachten zijn niet zodanig dat zij beperkingen in functioneren rechtvaardigen en de fysieke beperkingen zijn adequaat meegenomen. De geselecteerde functies zijn medisch geschikt voor appellant.
De Raad oordeelt dat de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd zijn en dat de door appellant aangevoerde nadere beperkingen niet aannemelijk zijn gemaakt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant juist is vastgesteld op 36,66%.