ECLI:NL:CRVB:2022:1624
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid 46,45% onder Wet WIA
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich in juni 2017 ziek met fysieke klachten. Het UWV stelde op basis van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant met ingang van 21 juni 2019 voor 46,45% arbeidsongeschikt was en keerde een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen, mede door een autismespectrumstoornis en extra hulp van de gemeente, onvoldoende waren meegenomen. Hij verzocht om inschakeling van een onafhankelijke medisch deskundige. Het UWV verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. Er waren geen nieuwe medische gegevens die een onafhankelijke deskundige rechtvaardigden. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 46,45% arbeidsongeschiktheid per 21 juni 2019 en wijst het hoger beroep af.