ECLI:NL:CRVB:2022:1630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en geschiktheid functie administratief ondersteunend medewerker in WIA-uitkeringszaak
Appellant, laatstelijk werkzaam als loodsmedewerker, meldde zich ziek met nek-, rug- en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidskundige onderzoeken vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn beperkingen onderschat waren, met name vanwege psychische klachten. Na aanvullend onderzoek door verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bleef het UWV bij haar standpunt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep spitste het geschil zich toe op de arbeidskundige grondslag, met name de geschiktheid van de functie administratief ondersteunend medewerker. Appellant voerde aan dat deze functie vanwege samenwerkings- en klantcontactbeperkingen ongeschikt was. De arbeidsdeskundige stelde echter dat de functie past binnen de beperkingen van appellant, omdat samenwerken beperkt is tot eigen taken en klantcontact vooral telefonisch of schriftelijk is.
De Raad oordeelde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld op minder dan 35% en de WIA-uitkering terecht had geweigerd. Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, werd dit gebrek in hoger beroep hersteld en was er geen sprake van benadeling van appellant. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, maar het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en de WIA-uitkering terecht is geweigerd.