ECLI:NL:CRVB:2022:1637
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens niet-gemelde inkomsten van vriendin
Appellant ontving vanaf mei 2018 bijstand op grond van de Participatiewet. In de periode mei 2018 tot januari 2019 zijn er meerdere stortingen en bijschrijvingen gedaan op zijn bankrekening door een vriendin, die appellant niet aan het college heeft gemeld. Het college herzag de bijstand en vorderde een bedrag van ruim €1.200,- terug.
Appellant voerde aan dat de bijschrijvingen bedoeld waren als vergoeding voor uitgaven die hij voor zijn vriendin deed, zoals het kopen van levensmiddelen. Hij overhandigde een nota van een toko en een verklaring van de vriendin, maar deze stukken waren onvoldoende om de herkomst en het doel van de bedragen in de relevante periode aannemelijk te maken.
Ook zijn verklaring dat contante stortingen eigen eerder opgenomen middelen betroffen, kon niet worden onderbouwd met bewijs. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de bijschrijvingen terecht als inkomen zijn aangemerkt en dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door deze niet te melden. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wegens niet-gemelde inkomsten van een vriendin wordt bevestigd.