Appellante, laatstelijk werkzaam als coördinator activiteiten, meldde zich ziek vanwege psychische klachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen en beëindigde de uitkering. Appellante ging hiertegen in bezwaar en beroep, maar het UWV handhaafde het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij snel overprikkeld raakt en daarom een rustige, prikkelarme werkomgeving nodig heeft. In eerdere medische beoordelingen was werken in een kantoortuin uitgesloten, maar deze beperking ontbrak in de FML van september 2020. Ook ontbrak een beperking voor lawaai, terwijl dit wel in een medisch verslag stond.
De Centrale Raad oordeelde dat appellante ten onrechte niet beperkt werd geacht voor werken in een kantoortuin en lawaai. Hierdoor vielen drie van de vijf passende functies weg, waardoor onvoldoende functies overbleven om een schatting op te baseren. Het besluit van het UWV werd vernietigd, het eerdere besluit herroepen en de uitkering ongewijzigd voortgezet. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.