ECLI:NL:CRVB:2022:1657
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing Wajong-uitkering wegens gebrek aan nieuw feit of veranderde omstandigheid
Appellant heeft in 2014 een Wajong-uitkering aangevraagd die werd afgewezen omdat hij niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt werd geacht. In 2016 diende appellant een herhaalde aanvraag in, die eveneens werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat appellant arbeidsvermogen heeft ondanks zijn oppositionele opstandige gedragsstoornis.
In hoger beroep stelde appellant dat hij duurzaam geen arbeidsparticipatie kan verrichten en dat hij voldoet aan de voorwaarden voor Wajong-uitkering. Het UWV nam een nieuw besluit in 2021 waarin het eerdere besluit uit 2014 niet werd herroepen omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. Wel werd de aanvraag voor de toekomst toegewezen met uitbetaling vanaf de datum van de tweede aanvraag in 2016.
De Raad oordeelde dat het rapport van Psyon geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt omdat dit niet in bezwaar was ingebracht. Ook de eerdere rapportages konden niet als zodanig worden aangemerkt. Het beroep tegen het besluit van 2021 werd daarom ongegrond verklaard. Wel werd het beroep tegen het besluit van 2017 gegrond verklaard en vernietigd, en werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De Raad bevestigt dat bij duuraanspraken terugkomen voor het verleden alleen mogelijk is bij nieuwe feiten of omstandigheden en dat uitbetaling van de Wajong-uitkering pas kan ingaan vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag voor de toekomst.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 13 december 2021 wordt ongegrond verklaard; de Wajong-uitkering wordt toegekend vanaf 10 oktober 2016.