Uitspraak
21 469 WIA
12 januari 2021, 20/1654 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig cateringmedewerkster, ontving sinds 2009 een WIA-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid na een ongeval. Na diverse herbeoordelingen stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid bij en beëindigde uiteindelijk de WGA-vervolguitkering per 30 maart 2020, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts alle relevante klachten en informatie had meegewogen. Appellante startte een hoger beroep en voerde aan dat zij vanwege depressieve klachten meer beperkt was dan het UWV aannam, onderbouwd met behandelplannen en ziekenhuisinformatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de aangevoerde medische en arbeidskundige gronden een herhaling zijn van eerdere standpunten die reeds gemotiveerd door de rechtbank zijn beoordeeld. De Raad sluit zich aan bij het oordeel dat de Functionele Mogelijkhedenlijst van januari 2020 juist is vastgesteld en dat latere medische informatie niet relevant is voor de datum in geding. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WGA-vervolguitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-vervolguitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.