ECLI:NL:CRVB:2022:1677
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete bij herziening bijstand wegens niet gemeld nabestaandenpensioen
Appellante ontving vanaf 1 februari 2017 een nabestaandenpensioen dat zij niet had gemeld bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college herzag daarop haar bijstand over de periode van februari 2017 tot juli 2020 en vorderde de ten onrechte ontvangen bijstand terug tot een bedrag van €1.802,44. Tevens legde het college een boete van €630,- op wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden en dat het college terecht uitging van normale verwijtbaarheid bij het opleggen van de boete. Appellante bracht in hoger beroep aan dat zij niet wist dat zij het nabestaandenpensioen moest melden en dat zij vanwege haar hulpbehoevende zoon extra kosten had, waardoor zij geen draagkracht zou hebben voor de boete.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van verminderde verwijtbaarheid. De Raad bevestigde dat het college terecht de boete oplegde, mede gelet op de draagkracht van appellante en de jurisprudentie omtrent fictieve draagkracht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de boete bleef in stand.
Uitkomst: De boete van €630,- wegens niet melden van het nabestaandenpensioen wordt bevestigd.