Appellant ontving bijstand sinds 2002, vanaf 2015 op grond van de Participatiewet. Na een signaal over een banksaldo van bijna €18.000 in 2017 startte het college een onderzoek en vroeg bankgegevens op, die appellant niet verstrekte. Het college schortte en trok de bijstand in per 24 oktober 2018 en herzag de uitkering over 2017.
Appellant verzocht in september 2019 om herziening van het besluit, verwijzend naar een eerdere uitspraak die bepaalde dat ontbreken van gegevens over verblijf in het buitenland geen grond is voor intrekking. Het college wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel.
De Raad benadrukt dat een verzoek om terug te komen op een besluit zonder nieuwe feiten vereenvoudigd kan worden afgewezen. Appellant kon niet aantonen dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist was. Ook het feit dat hij pas na zeven aanvragen weer bijstand ontving, maakt de afwijzing niet evident onredelijk. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.