ECLI:NL:CRVB:2022:1689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens niet volgemaakte wachttijd en geen beroep op Wet Amber
Appellante verzocht om een WIA-uitkering vanwege verslechterde gezondheid per januari 2019. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag af omdat de vereiste wachttijd van 104 weken niet was voltooid en appellante op dat moment niet verzekerd was voor de WIA.
Appellante maakte bezwaar en stelde dat haar medische klachten sinds 2013 waren toegenomen, waaronder duizeligheid, hyperventilatie, orthostatische hypotensie en rug- en heupklachten. Zij voerde aan dat dit een beoordeling op grond van de Wet Amber rechtvaardigde. Het Uwv handhaafde het besluit, stellende dat de verslechtering niet binnen vijf jaar na het einde van de wachttijd had plaatsgevonden.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, een oordeel dat in hoger beroep door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd. De Raad oordeelde dat appellante geen nieuwe feiten of argumenten had ingebracht die aanleiding gaven het eerdere oordeel te wijzigen.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat de afwijzing van de WIA-aanvraag terecht was en dat geen beroep op de Wet Amber mogelijk was. De uitspraak werd bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag van appellante om een WIA-uitkering wordt afgewezen omdat de wachttijd niet is voltooid en geen beroep op de Wet Amber mogelijk is.