ECLI:NL:CRVB:2022:1694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid volgens Wet WIA bevestigd op minder dan 35%
Appellant, werkzaam als hovenier, meldde zich in 2014 ziek vanwege medische klachten. Het UWV kende aanvankelijk een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 36%, maar trok deze later in omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een nieuw onderzoek in 2019 stelde het UWV vast dat de arbeidsongeschiktheid niet was gewijzigd, waardoor de uitkering ongewijzigd bleef.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en het medisch oordeel juist. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn medische situatie verslechterd was en dat hij niet in staat was om te werken, met name niet in een arbeidsrelatie. Hij verzocht tevens om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad oordeelde dat de medische beoordeling van het UWV zorgvuldig, logisch en navolgbaar was. Zowel fysieke als psychische beperkingen waren in de beoordeling meegenomen, en de aanvullende informatie van behandelaars werd adequaat betrokken. Er was geen aanleiding om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen, noch om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op minder dan 35% is vastgesteld.