Uitspraak
21.3668 ZW
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant was tot juli 2018 werkzaam als logistiek medewerker en meldde zich ziek met psychische klachten. Het UWV stelde in een eerstejaars Ziektewetbeoordeling vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde daarom de ziekengelduitkering per 6 augustus 2019. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel, mede omdat het re-integratietraject ten tijde van belang was stopgezet.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV de beperkingen door zijn vingerklachten had onderschat en dat het vertrouwensbeginsel ten onrechte werd verworpen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat het re-integratietraject daadwerkelijk was stopgezet en dat het UWV het medisch oordeel zorgvuldig had gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had toegelicht dat beperkingen voor het gebruik van de rechterwijsvinger niet noodzakelijk waren opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), mede omdat appellant had geleerd te compenseren.
De Raad vond geen aanleiding om het medisch oordeel te betwijfelen en oordeelde dat de aan de EZW-beoordeling ten grondslag gelegde functies medisch geschikt waren voor appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de Ziektewetuitkering van appellant per 6 augustus 2019 heeft beëindigd.