Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:1740

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juli 2022
Publicatiedatum
10 augustus 2022
Zaaknummer
21/1119 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens waarde woning in het buitenland

Appellant bezit samen met zijn twee broers sinds 2011 een woning in Egypte. Vanaf december 2014 ontvangt appellant bijstand. Naar aanleiding van een anonieme melding heeft het college onderzoek gedaan naar het vermogen van appellant, waarbij bleek dat hij voor een derde eigenaar is van een woning in Egypte.

Appellant erkende aanvankelijk een waarde van circa € 71.428,-, maar het college baseerde zich op een taxatie van € 54.929,-. Appellant stelde in bezwaar dat de waarde veel lager was, namelijk € 4.900,-, vanwege een fout in de taxatie. Het college beperkte daarop de intrekking en terugvordering van bijstand.

In hoger beroep stond enkel de waarde van de woning centraal. De Raad oordeelde dat de eerste taxatie betrouwbaar is en dat de stelling van appellant over een fout van een factor tien ongeloofwaardig is. De Raad bevestigde daarom het besluit van het college en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.

Uitspraak

21.1119 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 24 februari 2021, 20/902 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)
Datum uitspraak: 26 juli 2022
Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte
Griffier: Y. Al Qaq
Partijen zijn, met kennisgeving, niet ter zitting verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellant bezit samen met zijn twee broers sinds 2011 een woning in [stad] , Egypte.
2. Met ingang van 1 december 2014 ontvangt appellant bijstand ingevolge de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme melding waarin onder meer staat vermeld dat appellant in het bezit is van huizen in Egypte heeft een toezichthouder van het college op 5 december 2018 met appellant gesproken. Appellant heeft tijdens het gesprek erkend dat hij voor 1/3 eigenaar is van een woning in Egypte en daarbij vermeld dat de woning anderhalf miljoen Egyptische ponden (EGP) (omgerekend naar de wisselkoers die appellant toen noemde circa € 71.428,-) waard is. Appellant heeft nadien een taxatie overgelegd vervaardigd door een taxateur waaruit blijkt dat, volgens de vertaling, de woning en de grond op 29 november 2014 een waarde vertegenwoordigden van: 350.000 EGP voor de grond zonder gebouwen en 140.000 EGP voor de gebouwen, in totaal 490.000 EGP (omgerekend naar de wisselkoers van dat moment € 54.929,-).
3. Het college heeft bij besluit van 17 september 2019 de bijstand over de periode van 1 december 2014 tot en met 31 januari 2016 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.539,36 van appellant teruggevorderd.
4. Appellant heeft in bezwaar aangevoerd dat de waarde van de woning lager is en heeft daarbij een verklaring van dezelfde taxateur overgelegd. Uit deze taxatie volgt volgens appellant dat bij de eerdere taxatie een fout is gemaakt en dat de woning niet 490.000 EGP maar 49.000 EGP waard was. Volgens appellant is er in de eerdere taxatie een 0 te veel gezet bij het bedrag. Er is dan ook sprake van vermogen lager dan de voor hem geldende vermogensgrens.
5. Bij besluit op bezwaar van 16 januari 2020 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 september 2019 gegrond verklaard, de intrekking beperkt tot de periode van 1 december 2014 tot en met 31 december 2015 en de terugvordering verlaagd naar € 15.338,62. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant vermogen heeft boven de voor hem geldende vermogensgrens.
6. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft in beroep een verklaring van dezelfde taxateur overgelegd. Uit deze taxatie blijkt volgens appellant dat de woning onbewoond niet 490.000 EGP maar slechts 145.000 EGP waard was en dat zijn vermogensaandeel in de woning op 1 december 2014 lager was dan de voor hem geldende vermogensgrens. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
7. In hoger beroep is uitsluitend de waarde van de woning in geschil. Appellant heeft zelf in het eerste gesprek met het college op 5 december 2018 aan de woning een veel hogere waarde toegekend dan de eerste taxatie. Aan de later overgelegde taxaties komt daarom niet de bewijskracht toe die appellant er aan wenst toe te kennen. Dat bij de eerste taxatie een fout is gemaakt is niet aannemelijk. Als de stelling van appellant zou worden gevolgd dan zou dit betekenen dat de taxateur in de eerste taxatie een bedrag heeft opgegeven dat tien keer hoger is dan bedoeld, dat de taxateur drie keer een nul teveel bij de bedragen heeft geplaatst en ook drie keer een fout heeft gemaakt bij de in letters uitgeschreven bedragen. Dit is ongeloofwaardig. De in beroep overgelegde taxatie maakt dit niet anders. Het college heeft dan ook uit mogen gaan van de waarde in de eerste taxatie.
8. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd te ondertekenen.(getekend) O.L.H.W.I. Korte