Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2022:1746

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juli 2022
Publicatiedatum
11 augustus 2022
Zaaknummer
20/4442 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 PWArt. 24 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit bijstandsnorm bij gezamenlijke huishouding met niet-rechthebbende partner

Appellante ontvangt sinds 2004 bijstand op grond van de Participatiewet en woont samen met een niet-rechthebbende partner. Het dagelijks bestuur heeft de bijstand aangepast naar 50% van de gehuwdennorm, met een verhoging van 20% vanwege haar financiële situatie.

Appellante voerde aan dat zij met moeite haar vaste lasten kan betalen en geen middelen heeft voor noodzakelijke aankopen, waardoor zij onder het gangbare bestaansminimum leeft. Zij vorderde een bijstandsnorm van 100% van de gehuwdennorm.

De Raad oordeelt dat individuele afstemming van bijstand slechts in zeer bijzondere situaties plaatsvindt en appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich in een dergelijke situatie bevindt. Haar inkomsten zijn hoger dan haar vaste lasten, waardoor het dagelijks bestuur terecht geen verdere afstemming heeft toegepast.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: De bijstand van appellante wordt bevestigd op 50% van de gehuwdennorm met een toeslag van 20%, zonder verdere afstemming tot 100%.

Uitspraak

20 4442 PW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 november 2020, 20/4962 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 26 juli 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.A. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Fischer heeft een nadere reactie ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. van Schijndel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontvangt sinds 2004 bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Appellante is gehuwd. Haar echtgenoot heeft de Afghaanse nationaliteit en heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland.
1.2.
Het dagelijks bestuur ontving een signaal dat ook de echtgenoot van appellante woonde op het uitkeringsadres. Het dagelijks bestuur had daarom de bijstand naar de norm voor een alleenstaande gewijzigd in 50% van de gehuwdennorm omdat de echtgenoot een niet-rechthebbende partner is.
1.3.
Het dagelijks bestuur heeft vervolgens op verzoek van appellante nader onderzoek gedaan naar haar situatie. Appellante ontvangt € 988,91 aan inkomsten, bestaande uit 50% van de gehuwdennorm en de toeslagen van de Belastingdienst. De uitgaven van appellante bedragen in totaal € 1.100,83. Als de bijstand niet met 20% wordt verhoogd, ontstaat een financiële noodsituatie, zo heeft het dagelijks bestuur geconcludeerd in het rapport van 14 oktober 2019.
1.4.
Bij besluit van 14 oktober 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 december 2019 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de bijstand met ingang van 1 mei 2019 met toepassing van artikel 24 van Pro de PW gewijzigd naar 50% van de gehuwdennorm, omdat appellante een gezamenlijke huishouding voert met een niet-rechthebbende partner. Het dagelijks bestuur heeft met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW de hoogte van de bijstand afgestemd en de bijstand verhoogd met 20% van de gehuwdennorm. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen zeer bijzondere omstandigheden zijn om de bijstand verder af te stemmen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij met veel moeite haar vaste lasten kan betalen, maar dat zij geen middelen heeft om te reserveren voor de aanschaf van nieuwe pannen, een oven, een bed, een wasmachine, vloerbedekking en schoenen. Hierdoor leeft zij onder het in Nederland gangbare bestaansminimum. Het dagelijks bestuur dient de bijstand af te stemmen tot 100% van de gehuwdennorm.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 18, eerste lid, van de PW stemt het dagelijks bestuur de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, de mogelijkheden en de middelen van de belanghebbende. Voor een dergelijke individuele afstemming in de vorm van een verlaging dan wel een verhoging van de bijstand is slechts plaats in zeer bijzondere situaties. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492). Het is aan degene die deze afstemming wenst om aannemelijk te maken dat zich een zeer bijzondere situatie voordoet als hiervoor bedoeld.
4.2.
Op grond van het individualiseringsbeginsel vindt de afstemming met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW plaats met inachtneming van de feitelijke behoeften in het individuele geval. Dit houdt verband met het vangnetkarakter van de bijstand, waarbij individueel maatwerk een belangrijk uitgangspunt is. Dit is eerder overwogen in de uitspraak van 16 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2301.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil, dat de inkomsten van appellante hoger zijn dan de door haar gepresenteerde vaste lasten, inclusief de kosten van boodschappen. Appellante heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij vanaf 1 mei 2019 verkeerde in een zeer bijzondere situatie als bedoeld in 4.1. Voor het dagelijks bestuur bestond in dit geval daarom geen aanleiding de bijstand van appellante nader af te stemmen en aan te vullen tot 100% van de bijstandsnorm voor gehuwden. Vergelijk de uitspraak van 8 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3182.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2022.
(getekend) K.M.P. Jacobs
(getekend) S.C. Scholten