ECLI:NL:CRVB:2022:1751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken toename medische beperkingen
Appellant, een pedagogisch medewerker, meldde zich in 2010 ziek met rugklachten en ontving vanaf 2012 een WIA-uitkering wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na verhuizing naar Suriname beëindigde het UWV in 2018 de uitkering vanwege minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Appellant stelde dat zijn arbeidsongeschiktheid per 4 februari 2019 was toegenomen na een EHBO-bezoek.
Het UWV stelde na medisch onderzoek dat er geen toename was van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak en wees de aanvraag af. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat alle beschikbare medische gegevens waren meegewogen. De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van een toename van zijn beperkingen.
De Raad wees het verzoek om een onafhankelijke deskundige af, omdat appellant voldoende gelegenheid had gekregen om zijn standpunt te onderbouwen en de medische informatie was meegewogen. Omdat geen toename van beperkingen werd vastgesteld, was een arbeidskundige beoordeling niet aan de orde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd wegens het ontbreken van toename van medische beperkingen.