ECLI:NL:CRVB:2022:1756
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit WGA-uitkering en toekenning IVA-uitkering wegens onvoldoende onderzoek hand- en polsbeperkingen
Appellante, geboren in 1956, was werkzaam als operator/bandleider en meldde zich in januari 2018 ziek met diverse klachten. Het UWV kende haar op 20 december 2019 een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 48,83%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV en de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, met name omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen lichamelijk onderzoek van haar handen en polsen had verricht.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. Uit de medische stukken blijkt dat appellante ernstige beperkingen heeft in hand- en vingergebruik door reumatoïde artritis, wat onvoldoende is onderzocht. De Raad stelt dat dit gebrek niet meer kan worden hersteld en dat appellante inmiddels een IVA-uitkering heeft gekregen vanwege haar beperkingen.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en herroept het besluit van 20 december 2019. Vervolgens kent de Raad appellante met ingang van 22 januari 2020 een IVA-uitkering toe, waarmee deze uitspraak het eerdere besluit vervangt. Daarnaast wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en appellante krijgt met terugwerkende kracht een IVA-uitkering toegekend vanaf 22 januari 2020.