ECLI:NL:CRVB:2022:1768
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op Ziektewet-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen sinds WIA-beoordeling
Appellant, werkzaam als allround expeditie medewerker, meldde zich in 2017 ziek vanwege lichamelijke klachten na een verkeersongeval. Na een WIA-beoordeling in 2019 werd vastgesteld dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor hij geen recht had op een WIA-uitkering. In 2020 meldde appellant zich opnieuw ziek en ontving toen een WW-uitkering. Het UWV stelde vast dat er geen sprake was van een verslechterde medische situatie ten opzichte van de eerdere beoordeling en verklaarde hem arbeidsgeschikt voor zijn eigen werk.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat zijn medische beperkingen onjuist waren vastgesteld, onderbouwd met medische verklaringen van specialisten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de rapporten van verzekeringsartsen zorgvuldig en consistent waren en dat er geen nieuwe geobjectiveerde klachten waren die een toename van beperkingen aantoonde.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat op grond van de Ziektewet het recht op ziekengeld afhankelijk is van objectief vastgestelde ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid, met uitzondering van blijvende ongeschiktheid na de maximale duur van ziekengeld. Omdat er geen gewijzigde medische situatie was per 1 januari 2020, werd appellant terecht geschikt geacht voor de eerder voorgestelde functies. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd; appellant heeft geen recht op Ziektewet-uitkering.