ECLI:NL:CRVB:2022:177
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-beoordeling arbeidsongeschiktheid tussen 45 en 55 procent
Appellante, voormalig im- en exportmanager, meldde zich in 2007 ziek met psychische klachten en ontving sindsdien een WIA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2015 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 61%. In 2016 meldde zij zich opnieuw ziek met toegenomen psychische klachten, waarna het UWV haar arbeidsongeschiktheid vaststelde op 45 tot 55%.
Appellante maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar dit werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige die een complex psychiatrisch beeld constateerde, maar de deskundige beoordeelde de beperkingen niet volgens de geldende CBBS-systematiek. De rechtbank volgde de verzekeringsarts bezwaar en beroep die stelde dat de beperkingen op het inzicht in eigen kunnen niet medisch relevant waren volgens de CBBS-criteria.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat de functie medewerker receptie geschikt was, maar het UWV herstelde dit motiveringsgebrek met aanvullende rapporten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond, vernietigde het bestreden besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep verwees appellante naar eerdere bezwaren, maar kon zij de motivering van de rechtbank niet concreet onderbouwen. De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en verzekeringsarts bezwaar en beroep in hun oordeel dat de medische en arbeidskundige beoordeling voldoende was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante arbeidsongeschikt is voor 45 tot 55% en verklaart het hoger beroep ongegrond.