ECLI:NL:CRVB:2022:1779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening recht op kinderbijslag wegens onvoldoende onderhoud over vierde kwartaal 2020
Appellant ontving kinderbijslag voor zijn dochter tot en met het vierde kwartaal van 2020. Naar aanleiding van een melding dat de dochter niet meer bij appellant woonde, startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek. De Svb herzag het recht op kinderbijslag over dat kwartaal omdat appellant niet in belangrijke mate had bijgedragen in het onderhoud van zijn dochter.
Appellant voerde aan dat hij zijn dochter regelmatig in het geheim bezocht en haar van alles gaf, waaronder boodschappen en andere benodigdheden. Hij wees ook op haar moeilijke situatie na uithuisplaatsing. De rechtbank oordeelde echter dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij minimaal € 433,- per kwartaal aan onderhoud had geleverd. Bankbetalingen aan de moeder waren onvoldoende bewijs, omdat niet duidelijk was dat deze ten behoeve van de dochter waren.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde dat appellant niet op een voor de Svb eenvoudig te controleren wijze had aangetoond dat hij de minimale onderhoudsbijdrage had geleverd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de herziening van het recht op kinderbijslag bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van het recht op kinderbijslag bevestigd.