ECLI:NL:CRVB:2022:1788
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor woninginrichting na verkoop echtelijke woning
Appellante, een alleenstaande ouder die bijstand ontvangt op grond van de Participatiewet, vroeg bijzondere bijstand aan voor kosten van woninginrichting na haar verhuizing in 2019. Na haar echtscheiding bleef zij met haar kinderen in de echtelijke woning wonen, die zij in maart 2019 verkocht. Vervolgens betrok zij een huurwoning.
Het college van burgemeester en wethouders van Enschede wees de aanvraag af omdat de verhuizing voorzienbaar was en appellante de kosten had kunnen reserveren. Ook de keuze om een deel van de inboedel mee te verkopen werd niet als bijzondere omstandigheid gezien. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet had kunnen reserveren omdat het geld nodig was voor het opknappen van de woning om schuldenvrij te kunnen verkopen. De Raad oordeelde dat hoewel de situatie ingrijpend was, de kosten voortvloeien uit keuzes van appellante en niet uit bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in de Participatiewet.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor woninginrichting omdat de verhuizing voorzienbaar was en de kosten voortvloeien uit keuzes van appellante.