Uitspraak
20 596 PW
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Centrale Raad van Beroep
Appellante had beroep ingesteld tegen een nieuw terugvorderingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, dat was genomen na een eerdere vernietiging door de Raad. In die eerdere uitspraak was geoordeeld dat het college ten onrechte het recht op bijstand niet kon vaststellen wegens onduidelijkheid over inkomsten, waarna het college een nieuwe berekening moest maken.
Het college stelde de terugvordering over de periode van juni tot en met augustus 2015 vast op € 3.386,82. Appellante maakte bezwaar tegen de onduidelijkheid van deze berekening en tegen de verrekening van proceskosten. De Raad verzocht haar om nadere toelichting, waarop zij reageerde dat zij akkoord ging met het terugvorderingsbedrag en haar bezwaar tegen de proceskosten niet langer handhaafde.
Omdat appellante haar bezwaren niet meer handhaafde, verklaarde de Raad het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter E.C.R. Schut en griffier J.E. Eikelenboom op 2 augustus 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugvorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard.