ECLI:NL:CRVB:2021:563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde inkomsten uit schoonmaakwerk
Appellante ontving sinds 2013 bijstand en werd na een anonieme melding onderzocht wegens niet gemelde inkomsten uit schoonmaakwerkzaamheden. Het college herzag de bijstand over de periode maart 2016 tot februari 2018 en vorderde € 7.791,63 terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. Tevens werd een boete opgelegd die later werd omgezet in een schriftelijke waarschuwing.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen de herziening en de verrekening van de bezwaarkostenvergoeding ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet elke week werkte en minder verdiende dan aangenomen, met een verklaring van werkgevers ter onderbouwing. De Raad oordeelde echter dat deze verklaring onvoldoende onderbouwd was en niet overeenkwam met eerdere verklaringen, waardoor het college terecht schattenderwijs het recht op bijstand had vastgesteld.
Verder stelde appellante dat de verrekening van de bezwaarkostenvergoeding onrechtmatig was vanwege een lopende betalingsregeling. De Raad verwierp dit en bevestigde dat het college bevoegd was de vergoeding te verrekenen met de openstaande vordering. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de eerdere uitspraken en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand en de verrekening van de bezwaarkostenvergoeding met de openstaande vordering.