ECLI:NL:CRVB:2022:1793
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A.H. van Dalen-van Bekkum
- T.L. de Vries
- K. Sanders
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over rechtstreekse werking en draagwijdte van artikel 68 lid 4 Associatieovereenkomst met Algerije inzake export nabestaandenuitkering
Appellante, woonachtig in Algerije en nabestaande van een in Nederland verzekerde overleden echtgenoot, ontvangt sinds 1999 een nabestaandenuitkering op grond van de ANW. Door het woonlandbeginsel is haar uitkering vanaf 2013 verlaagd tot 60% en vanaf 2016 tot 40% van het Nederlandse bedrag. Zij betwist deze verlaging en stelt dat artikel 68, vierde lid, van de Associatieovereenkomst met Algerije dit verbiedt.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) voert aan dat deze bepaling geen rechtstreeks werkende verplichting tot export van uitkeringen inhoudt en dat het woonlandbeginsel toegepast mag worden. De Centrale Raad onderzoekt of artikel 68 lid 4 rechtstreekse Pro werking heeft, op wie het van toepassing is (alleen werknemers of ook nabestaanden), en of het de toepassing van het woonlandbeginsel uitsluit.
De Raad overweegt dat artikel 68 lid 4 primair Pro het vrij overmaken van pensioenen en uitkeringen naar Algerije regelt, maar onduidelijk is of dit ook nabestaanden betreft en of het rechtstreekse werking heeft. Het feit dat nadere besluiten van de Associatieraad vereist zijn, spreekt tegen directe werking, maar eerdere jurisprudentie van het Hof wijst op mogelijke directe werking van vergelijkbare bepalingen. De Raad legt daarom prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie van de EU en houdt de procedure aan tot het arrest is gewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie EU en houdt de zaak aan tot het arrest is gewezen.