ECLI:NL:CRVB:2024:1194
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging nabestaandenuitkering op grond van woonlandbeginsel voor woonachtig in Algerije
Appellante, woonachtig in Algerije, ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot die in Nederland verzekerd was. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering per 1 november 2012, maar herleefde deze met terugwerkende kracht na een eerdere uitspraak van de rechtbank.
Vanaf 1 januari 2013 werd de uitkering verlaagd op basis van het woonlandbeginsel, waarbij het uitkeringsbedrag werd aangepast aan het kostenniveau van Algerije. Dit leidde tot een verlaging naar 60% van het maximale bedrag vanaf 2013 en 40% vanaf 2016. Appellante maakte bezwaar tegen deze verlaging, dat werd afgewezen door de Svb en bevestigd door de rechtbank Amsterdam.
De Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de verenigbaarheid van deze verlaging met artikel 68, vierde lid, van de Associatieovereenkomst EG-Algerije. Het HvJEU oordeelde dat de bepaling rechtstreekse werking heeft en dat de verlaging niet in strijd is met de overeenkomst mits deze gebaseerd is op objectieve gegevens en de essentie van het recht op vrije overmaking respecteert.
De Raad concludeert dat de verlaging van de uitkering op basis van door de Wereldbank berekende koopkrachtpariteitscijfers gerechtvaardigd is. Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen, de eerdere uitspraak bevestigd en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De verlaging van de nabestaandenuitkering van appellante vanwege haar verblijf in Algerije is rechtmatig bevestigd.