ECLI:NL:CRVB:2024:1194

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2024
Publicatiedatum
25 juni 2024
Zaaknummer
20/2399 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17, derde lid, ANWArt. 68, vierde lid, Associatieovereenkomst EG-AlgerijeWet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging nabestaandenuitkering op grond van woonlandbeginsel voor woonachtig in Algerije

Appellante, woonachtig in Algerije, ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot die in Nederland verzekerd was. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering per 1 november 2012, maar herleefde deze met terugwerkende kracht na een eerdere uitspraak van de rechtbank.

Vanaf 1 januari 2013 werd de uitkering verlaagd op basis van het woonlandbeginsel, waarbij het uitkeringsbedrag werd aangepast aan het kostenniveau van Algerije. Dit leidde tot een verlaging naar 60% van het maximale bedrag vanaf 2013 en 40% vanaf 2016. Appellante maakte bezwaar tegen deze verlaging, dat werd afgewezen door de Svb en bevestigd door de rechtbank Amsterdam.

De Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de verenigbaarheid van deze verlaging met artikel 68, vierde lid, van de Associatieovereenkomst EG-Algerije. Het HvJEU oordeelde dat de bepaling rechtstreekse werking heeft en dat de verlaging niet in strijd is met de overeenkomst mits deze gebaseerd is op objectieve gegevens en de essentie van het recht op vrije overmaking respecteert.

De Raad concludeert dat de verlaging van de uitkering op basis van door de Wereldbank berekende koopkrachtpariteitscijfers gerechtvaardigd is. Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen, de eerdere uitspraak bevestigd en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De verlaging van de nabestaandenuitkering van appellante vanwege haar verblijf in Algerije is rechtmatig bevestigd.

Uitspraak

20/2399 ANW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2020, 19/249 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te Algerije (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 10 juni 2024
SAMENVATTING
Deze uitspraak gaat over de vraag of de nabestaandenuitkering van appellante mocht worden verlaagd omdat zij in Algerije woont. De uitspraak is een vervolg op een prejudiciële vraag van 15 augustus 2022 [1] aan het HvJEU [2] (verwijzingsbeslissing) en het arrest van het HvJEU van 29 februari 2024. [3] De uitkomst is dat de verlaging van de uitkering niet in strijd is met de Associatieovereenkomst EG-Algerije.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Op verzoek van de Raad heeft de Svb vragen van de Raad beantwoord. De Svb en appellante hebben nadere stukken aan de Raad toegezonden.
De Raad heeft de zaak ter behandeling aan de orde gesteld op een zitting van 22 juli 2021. Partijen zijn daarbij niet verschenen. De Raad heeft het onderzoek heropend. De Svb heeft vragen van de Raad beantwoord. De Raad heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Het onderzoek ter nadere zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2022. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door W. van den Berg en mr. drs. M.M.W. van der Ent-Eltink.
De Raad heeft prejudiciële vragen aan het HvJEU gesteld. Bij arrest van 29 februari 2024 heeft het HvJEU die vragen beantwoord. Partijen hebben niet op het arrest gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet verder op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

Voor een uitgebreide weergave van de toepasselijke regelgeving en standpunten van partijen wordt verwezen naar de verwijzingsbeslissing. Hier wordt volstaan met het volgende.
Besluitvorming van de Svb
1.1.
Appellante woont in Algerije. Haar echtgenoot heeft in Nederland gewerkt en was ten tijde van zijn overlijden verzekerd voor de ANW [4] . Appellante had als nabestaande van haar verzekerde echtgenoot vanaf 1 januari 1999 recht op een nabestaandenuitkering op grond van de ANW. De Svb heeft die nabestaandenuitkering per 1 november 2012 beëindigd, omdat appellante niet meer aan de voorwaarden zou voldoen. Na een procedure over die beslissing en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 november 2016, heeft de Svb met een besluit van 19 september 2018 met terugwerkende kracht de nabestaandenuitkering van appellante laten herleven met ingang van 1 november 2012.
1.2.
Met een besluit van eveneens 19 september 2018 heeft de Svb aan appellante meegedeeld dat de nabestaandenuitkering vanaf 1 januari 2013 wordt verlaagd, omdat vanaf die datum de uitkering wordt betaald volgens het kostenniveau van het land waar iemand woont (woonlandbeginsel). [5] Voor Algerije is vastgesteld dat vanaf 1 januari 2013 60% en vanaf 1 januari 2016 40% van het maximale bedrag aan nabestaandenuitkering wordt uitbetaald.
1.3.
Bij besluit van 4 december 2018 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Verwijzingsbeslissing en arrest van het HvJEU
3.1.
De nabestaandenuitkering van appellante is vanaf 1 januari 2013 verlaagd omdat vanaf die datum het woonlandbeginsel is toegepast. [6]
Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet de verlaging van een uitkering op grond van het woonlandbeginsel worden gezien als een beperking van de export van die uitkering. De Raad heeft aan het HvJEU de vraag gesteld of artikel 68, vierde lid, van de Associatieovereenkomst met Algerije [7] (Associatieovereenkomst) in de weg staat aan die beperking van de export van de nabestaandenuitkering van appellante. De Raad heeft met betrekking tot deze bepaling drie deelvragen aan het HvJEU voorgelegd. De vragen staan in de verwijzingsbeslissing.
3.2.
Het HvJEU heeft hierop geantwoord dat artikel 68, vierde lid, van de Associatieovereenkomst zo moet worden uitgelegd dat deze bepaling rechtstreekse werking heeft. Verder blijkt uit het antwoord van het HvJEU dat appellante onder de personele werkingssfeer van die bepaling valt en dat die bepaling in beginsel niet in de weg staat aan de toepassing van het woonlandbeginsel, mits de toegepaste verlaging op de uitkering de essentie van het recht op vrij overmaken van de uitkering eerbiedigt.
3.3.
Volgens het HvJEU kan de aanpassing van het bedrag van de uitkering – om rekening te houden met het kostenniveau in Algerije – niet leiden tot een uitholling van het recht op vrije overmaking als bedoeld in artikel 68, vierde lid, van de Associatieovereenkomst, mits het percentage dat voor deze aanpassing wordt gebruikt berust op objectieve gegevens. De verwijzende rechter (in dit geval de Raad) moet dit nagaan.
Gevolgen voor deze zaak
4.1.
Uit het arrest moet worden afgeleid dat de nabestaandenuitkering van appellante vanaf 1 januari 2013 mocht worden verlaagd rekening houdend met het kostenniveau in Algerije. De verlaging is gebaseerd op een bij ministeriële regeling [8] vastgesteld percentage (woonlandfactor) van het in Nederland geldende bedrag aan nabestaandenuitkering. [9] Voor Algerije is dit percentage voor 2013 vastgesteld op 60 en vanaf 2016 op 40. Deze percentages zijn gebaseerd op door de Wereldbank berekende koopkrachtpariteitscijfers. De Raad heeft in eerdere rechtspraak [10] geoordeeld dat dit objectieve gegevens zijn die mogen worden gebruikt bij de vaststelling van de woonlandfactoren.
4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat op de nabestaandenuitkering van appellante terecht een verlaging is toegepast omdat zij in Algerije woont.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2024.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) P. Boer

DÉCISION

La Centrale Raad van Beroep (Cour d’Appel Centrale),
Statue:
confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par M.A.H. van Dalen-van Bekkum en qualité de président, A. van Gijzen et K.H. Sanders comme membres, en présence de S.S. Blok en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 10 juin 2024.

Voetnoten

2.Hof van Justitie van de Europese Unie.
3.Zaaknummer C-549/22, ECLI:EU:C:2024:184.
4.Algemene nabestaandenwet.
5.Op grond van de Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid.
6.Artikel 17, derde lid, van de ANW.
7.Europees-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Democratische Volksrepubliek Algerije, anderzijds, Pb L 265 van 10/10/2005, blz. 0002-0228.
8.Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 en de bijlage (Stcrt. 2012, 21314 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-21314.pdf) en 2015, 17551 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2015-17551.pdf)).
9.Zijnde 70% van het minimumloon.