ECLI:NL:CRVB:2022:1795
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 76,14% zonder wijziging WGA-vervolguitkering
Appellante, voormalig hoofd van een kinderdagverblijf, heeft een WGA-vervolguitkering ontvangen op basis van een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 4 juli 2018, stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 76,14%. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit omdat zij meent dat de functies waarop de beoordeling is gebaseerd niet aansluiten bij haar beperkingen, met name vanwege haar paniekstoornis en de eis van een vertrouwde omgeving.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een aanvullend rapport toegelicht dat appellante niet inzetbaar is in afgesloten ruimtes en dat het gebruik van een trap geen beperking vormt. Ook is rekening gehouden met haar angstklachten in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze beoordeling en wijst het hoger beroep af. De Raad acht de medische en arbeidskundige onderbouwing toereikend en volgt de uitleg dat een open deur geen afgesloten ruimte uitsluit, en dat de paniekaanval tijdens het onderzoek geen objectief bewijs vormt voor een beperking in het gebruik van trappenhuizen. De WGA-vervolguitkering blijft ongewijzigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante voor 76,14% arbeidsongeschikt is en dat haar WGA-vervolguitkering ongewijzigd blijft.