ECLI:NL:CRVB:2022:1802
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toekenning WIA-uitkering bij toegenomen beperkingen door verschillende ziekteoorzaken
Appellante, die sinds 2013 psychische klachten heeft en in 2015 een WIA-beoordeling onderging, vordert in hoger beroep toekenning van een WIA-uitkering wegens vermeende toegenomen beperkingen vanaf 6 mei 2016.
Het UWV weigerde deze uitkering omdat de toegenomen beperkingen volgens verzekeringsgeneeskundig onderzoek het gevolg zijn van andere ziekteoorzaken dan bij de eerdere beoordeling, namelijk PTSS en borstkanker in plaats van depressie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunt, maar de Raad stelt vast dat de medische gegevens geen aanwijzingen bevatten voor een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat de psychische klachten deels een normale reactie zijn op de nieuwe aandoening en dat de belastbaarheid reeds voldoende was meegewogen.
De Raad bevestigt het besluit van het UWV en wijst het hoger beroep af. Wel veroordeelt zij het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV weigert terecht de WIA-uitkering toe te kennen vanaf 6 mei 2016.