ECLI:NL:CRVB:2022:1806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na medische beoordeling maatgevende arbeid
Appellante was werkzaam als vestigingsassistente en meldde zich ziek na een auto-ongeval met fysieke en psychische klachten. Het UWV stelde na een eerstejaars ZW-beoordeling vast dat zij geschikt was voor haar maatgevende arbeid en beëindigde haar ZW-uitkering per 15 juni 2019. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, omdat het medische oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep juist en zorgvuldig was onderbouwd.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zij meer beperkingen had, onderbouwd met een rapport van Ergatis. De Raad oordeelde dat dit een herhaling was van eerdere standpunten en dat het oordeel van de rechtbank en de verzekeringsartsen correct was. Er was geen medische noodzaak voor beperkingen vastgesteld, ondanks subjectieve klachten.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat appellante medisch geschikt was voor haar maatgevende arbeid en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor het toewijzen van proceskosten.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij medisch geschikt is voor haar maatgevende arbeid.