Appellant, voormalig chef-kok, was sinds 2007 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2017 stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 22 februari 2018. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en motiveerde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht en de beperkingen van appellant niet had onderschat.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en bracht nieuwe medische rapporten in, waaronder een rapport van de HKS-groep uit 2020. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze informatie niet relevant was voor de datum in geschil en dat het UWV terecht geen aanleiding had gezien voor een urenbeperking of nader onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hadden de beperkingen en geschiktheid van functies zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding om het UWV niet te volgen in de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en de beëindiging van de WIA-uitkering was terecht. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.