ECLI:NL:CRVB:2022:1840
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Mate van arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld met beperkte allergiebeperkingen
Betrokkene, werkzaam als beroepsgoederenchauffeur, meldde zich ziek in 2015 na een bedrijfsongeval en ontving vanaf 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 68,08%. Na verslechtering van zijn gezondheid in 2018 stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid opnieuw vast op 65,95%, waarbij beperkingen werden opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Betrokkene voerde aan dat zijn allergieën, met name voor de schimmel Alternaria Alternata, hem belemmeren in gebouwen met airconditioning. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met deze allergieën en gaf het UWV de gelegenheid dit te herstellen. Het UWV handhaafde echter het standpunt dat goed onderhouden klimaatsystemen geen belemmering vormen.
De Raad volgde het UWV en concludeerde dat de medische informatie geen aanleiding geeft tot verdere beperkingen dan reeds in de FML zijn opgenomen. De klachten van betrokkene in gebouwen met airconditioning konden medisch onvoldoende worden geobjectiveerd. Daarnaast werd vastgesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure aan de bestuursrechter is toe te rekenen, waarvoor een schadevergoeding van € 500,- werd toegekend.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraken van de rechtbank, verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, en veroordeelde de Staat tot betaling van de schadevergoeding en het UWV tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De arbeidsongeschiktheid is juist vastgesteld zonder extra beperkingen voor werken met airconditioning; schadevergoeding toegekend voor overschrijding redelijke termijn.