ECLI:NL:CRVB:2022:1841
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten door het UWV en tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een WW-uitkering. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan de wekeneis, een vereiste om recht op WW-uitkering te verkrijgen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten ongegrond en niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het bezwaar af. In hoger beroep voerde appellant procedurele en inhoudelijke gronden aan, waaronder dat de rechtbank de zaken niet had mogen voegen en dat zijn brieven aan het UWV wel waren verzonden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank terecht de zaken heeft gevoegd en dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn brieven zijn verzonden. Inhoudelijk is het besluit van het UWV juist, omdat appellant niet aan de wekeneis voldoet; hij heeft onvoldoende kalenderweken gewerkt om recht op WW-uitkering te verkrijgen.
De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit van 4 september 2020 en wijst het beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit van 4 september 2020 wordt bevestigd.