ECLI:NL:CRVB:2022:1868
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering terecht; schending onderzoek ter zitting niet benadelend
Appellante was werkzaam als leidinggevend kassière en meldde zich ziek met rugklachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar beëindigde deze later omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was.
Appellante stelde in hoger beroep dat de rechtbank onterecht het onderzoek ter zitting had achterwege gelaten zonder haar duidelijkheid te verschaffen over de mogelijkheid tot het kenbaar maken van haar wens tot een zitting, waardoor haar procesrecht was geschonden. De Raad stelde vast dat de rechtbank hiermee in strijd handelde met artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.
Desondanks oordeelde de Raad dat appellante niet benadeeld was omdat zij alsnog gelegenheid had gehad om schriftelijk haar standpunten in te dienen en afzag van een zitting. De inhoudelijke beoordeling van het UWV werd onderschreven. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd en veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.