ECLI:NL:CRVB:2022:187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en weigering WIA-uitkering na arbeidsongeval
Appellante was als beveiliger werkzaam en meldde zich ziek na een arbeidsongeval. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op minder dan 35%, waardoor zij geen WIA-uitkering kreeg toegekend. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen objectief waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar psychische klachten en dat de functie telefonisch verkoper niet passend was vanwege traplopen. De Centrale Raad van Beroep volgde het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek adequaat was, inclusief een lichamelijk en psychisch onderzoek. De psychische klachten waren volgens de verzekeringsarts niet meer aanwezig op de datum van beoordeling.
De Raad oordeelde dat de door het UWV geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellante, ook de functie telefonisch verkoper ondanks het traplopen. De Raad zag geen aanleiding om het eerdere oordeel te wijzigen en bevestigde de weigering van de WIA-uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.