Uitspraak
19 2437 WIA
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant maakte bezwaar tegen de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage door het UWV, dat aanvankelijk 49,71% bedroeg en na bezwaar werd vastgesteld op 56,89%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep benoemde de Raad een onafhankelijke verzekeringsarts die aanvullende beperkingen constateerde, wat leidde tot een nieuw vastgesteld arbeidsongeschiktheidspercentage van 57,91% en een aangepaste resterende verdiencapaciteit.
Appellant kon zich verenigen met deze nieuwe vaststelling, waardoor het hoger beroep slaagde en het bestreden besluit werd vernietigd. De Raad bepaalde zelf de juiste percentages en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten die appellant in beroep en hoger beroep had gemaakt.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de redelijke termijn voor de bestuursrechtelijke procedure met bijna een jaar was overschreden, wat aanleiding gaf om de Staat te veroordelen tot een schadevergoeding van €1.000,- en vergoeding van proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding.
De Raad bepaalde dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellant moest vergoeden. De uitspraak werd gedaan door S. Wijna en uitgesproken op 18 augustus 2022.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt verhoogd naar 57,91%, en het UWV en de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.