ECLI:NL:CRVB:2022:1898
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek om terugkomen van WIA-uitkeringsbesluit en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellante, voormalig huishoudelijk medewerker, verzocht het UWV om een WIA-uitkering met ingang van 8 september 2014, welke door het UWV werd geweigerd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na diverse procedures, waaronder bezwaar, beroep en hoger beroep, werd vastgesteld dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening van het besluit rechtvaardigden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de medische stukken geen aanwijzingen boden voor toegenomen beperkingen na genoemde datum.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar beperkingen waren toegenomen. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen wel waren toegenomen, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en de verzekeringsarts dat de overgelegde medische stukken onvoldoende waren om het besluit te herzien.
Daarnaast verzocht appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de procedure vijf jaar en twee maanden had geduurd, wat een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan een jaar betekent. Deze overschrijding werd volledig aan het UWV toegerekend, waarna een vergoeding van €1.500,- werd toegekend. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het WIA-besluit wordt afgewezen en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.